Wat is OPS?
OPS is de afkorting van Organisch Psychosyndroom. Het wordt ook wel chronische toxische encephalopathie (CTE) genoemd. OPS staat ook bekend als 'schildersziekte'. OPS is een beschadiging aan het zenuwstelsel die wordt veroorzaakt door langdurige blootstelling aan oplosmiddelen. Oplosmiddelen zijn onder andere tolueen, thinner, wasbenzine, peut (terpentine) en alcohol. Oplosmiddelen zitten onder meer in verf, beits, lijm, autolak, ontvettings- en verdunningsmiddelen.
OPS zou je kunnen omschrijven als een vorm van dementie. Mensen met OPS hebben verschillende klachten, die in de loop van de tijd enorm kunnen verergeren. Mensen met OPS hebben onder meer last van:
- vergeetachtigheid
- concentratiestoornissen
- prikkelbaarheid, agressiviteit
- hoofdpijn
- moeheid
OPS wordt onderverdeeld in vier stadia. OPS-klachten in het eerste en tweede stadium verdwijnen als mensen niet meer worden blootgesteld aan oplosmiddelen. Vanaf het derde stadium zijn de klachten onomkeerbaar en zijn mensen niet meer te genezen. In de meeste gevallen kunnen mensen dan niet meer werken.
OPS heeft vergaande gevolgen. Veel OPS-patiënten worden door hun ziekte depressief, krijgen relatieproblemen of raken door hun ziekte in een sociaal isolement.
Oorzaken en risico's
Niet iedereen die langdurig met oplosmiddelen werkt, krijgt OPS. Op de vraag waarom de een wel OPS krijgt en de ander niet, heeft de wetenschap nog geen antwoord. Mensen lopen risico op OPS als ze niet goed beschermd worden tegen blootstelling aan oplosmiddelen. Werkomstandigheden die het risico verhogen:
- geen/onvoldoende afzuiging
- geen/onvoldoende ventilatie
- geen/onvoldoende persoonlijke beschermingsmiddelen tegen huidcontact met en inademing van de oplosmiddelen, zoals mondkapjes, beschermende kleding en beschermend schoeisel
- een warme werkomgeving.
Ook wie kort blootgesteld wordt aan een hoge concentratie oplosmiddelen loopt een groter risico op OPS. Tijdens zo'n zogenaamde piekblootstelling krijgen mensen vaak acute klachten zoals duizeligheid, misselijkheid en een 'dronken' gevoel.
De volgende beroepsgroepen lopen risico op OPS:
- schilders
- autospuiters
- drukkers
- vloerenleggers
- tapijtlijmers
Wat zijn de verplichtingen van de werkgever?
Welke verplichtingen de werkgever heeft als het gaat om het werken met oplosmiddelen wordt onder andere beschreven in de Arbowet en het Arbobesluit. In het Arbobesluit is de Arbowet nader ingevuld. Samengevat komt het hierop neer:
- Het gebruik van oplosmiddelen moet zo veel mogelijk worden vermeden. Als het mogelijk is moet er met stoffen zonder oplosmiddelen gewerkt worden.
- De zogenaamde MAC-waarde (maximaal aanvaarde concentratie) voor oplosmiddelen mag niet worden overschreden.
- Verontreinigde lucht moet worden afgevoerd; tegelijkertijd moet schone lucht worden aangevoerd.
Er moeten persoonlijke beschermingsmiddelen ter beschikking worden gesteld die voldoende bescherming bieden tegen blootstelling aan oplosmiddelen. - Werknemers moeten kunnen pauzeren in een ruimte waar ze niet worden blootgesteld aan oplosmiddelen.
Hoe lang en in welke mate werknemers worden blootgesteld aan oplosmiddelen moet door de werkgever in kaart zijn gebracht. - Er moet een registratie zijn van de gevaarlijke stoffen waarmee gewerkt wordt. Werknemers moeten voorgelicht worden met welke stoffen zij werken, hoe zij ermee moeten werken en wat de gevaren daarvan zijn.
Aanmelden bij Bureau Beroepsziekten FNV
Wanneer u OPS heeft en zich wilt aanmelden bij Bureau Beroepsziekten FNV, moet u aan een aantal algemene voorwaarden voldoen. U moet lid zijn van FNV Bouw, FNV Bondgenoten, FNV Kiem of ABVAKABO FNV,
Verder is het van belang dat bij u officieel diagnose OPS is gesteld, bij voorkeur door het Solvent Team van het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten (NCvB). Uw huisarts, bedrijfsarts of medisch specialist kan u doorverwijzen naar het Solvent Team. Een onderzoek door het Solvent Team kost u niets. Om de diagnose OPS te kunnen stellen, moeten mensen minstens vijf jaar veelvuldig blootgesteld zijn aan oplosmiddelen.
U vindt hier het aanmeldformulier
BBZ-cliënten met OPS
Bureau Beroepsziekten FNV heeft ongeveer 50 OPS-zaken geregeld, al dan niet na tussenkomst van de rechter. Op dit moment zijn er zo'n 60 OPS-zaken in behandeling.
Tapijtlegger
Een tapijtlegger werkte jarenlang met lijmen met oplosmiddelen. Om lijmresten te verwijderen gebruikte hij terpentine (peut). Hij legde tapijten in allerlei verschillende ruimtes in woningen. De tapijtlegger had tijdens zijn werk regelmatig last van duizelingen en hoofdpijn. Na verloop van tijd kreeg de man ook na zijn werk steeds vaker last van deze klachten. Hij kreeg ook steeds meer last van concentratieproblemen, geheugenverlies en moeheid.
Uiteindelijk werd hij onderzocht door het Solvent Team van het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten en dat stelde OPS vast. De tapijtlegger kwam in de WAO terecht. Hij schakelde Bureau Beroepsziekten in, die een schadevergoeding voor hem regelde.
De werkgever had ervoor moeten zorgen dat de lucht in de ruimtes waar de tapijtlegger werkte, werd afgezogen en ververst. Als dit niet mogelijk was, had de werkgever de tapijtlegger moeten beschermen tegen blootstelling aan schadelijke oplosmiddelen door hem geschikte maskers te geven en hem over het juiste gebruik daarvan moeten instrueren. Ook had hij de tapijtlegger voorlichting moeten geven over de gevaren van het werken met oplosmiddelen.
Tandtechnicus
Een tandtechnicus kwam dagelijks in aanraking met een oplosmiddel. Pas na vele dienstjaren werd er op zijn werk een afzuigsysteem geplaatst en kreeg hij mondkapjes. De mondkapjes boden echter niet voldoende bescherming tegen het oplosmiddel. De werkplek was verder te warm en de man moest er ook pauzeren. De tandtechnicus kreeg last van moeheid, duizeligheid, vergeetachtigheid en hoofdpijn. In de loop der jaren verergerden deze klachten. Zijn gedrag veranderde en uiteindelijk kon hij zijn werk niet meer uitvoeren. Na onderzoek bleek dat hij OPS had, waarna hij in de WAO terechtkwam. Bureau Beroepsziekten stelde de werkgever aansprakelijk en regelde een schadevergoeding. De werkgever had de technicus over het gevaar van het werken met oplosmiddelen moeten voorlichten en hem geschikte persoonlijke beschermingsmiddelen ter beschikking moeten stellen. De werkgever had ook moeten zorgen voor een pauzeruimte waar de tandtechnicus niet in aanraking zou komen met oplosmiddelen.

